Gevoelens hebben we de hele dag. We kunnen ons vrolijk en ontspannen voelen en even later geïrriteerd, verdrietig of boos zijn. Emoties wisselen elkaar voortdurend af. Bij kinderen kunnen deze wisselingen nog sneller gaan en kunnen gevoelens soms groot en overweldigend voelen. Een kind kan vrolijk aan tafel zitten en een paar minuten later woedend op de grond liggen omdat het geen hagelslag zonder boterham mag. Of verdrietig zijn omdat een speelafspraak niet doorgaat en kort daarna weer enthousiast vertellen over iets op school. Voor volwassenen kan zo’n snelle overgang soms lastig te begrijpen zijn. Voor een kind kan het op dat moment echt voelen alsof de emotie alles overneemt.

Grote gevoelens in een klein lichaam
Kinderen moeten nog veel leren over hun gevoelens. Ze leren gaandeweg herkennen wat er in hen gebeurt, woorden geven aan emoties en ontdekken wat helpt wanneer een gevoel heel groot wordt.
Sommige kinderen uiten hun emoties duidelijk. Ze huilen, schreeuwen, worden boos. Andere kinderen trekken zich juist terug, worden stil of houden hun gevoelens voor zichzelf. Het is belangrijk dat kinderen leren herkennen wat ze voelen. Waar voel je spanning in je lichaam? Wat gebeurt er met je hartslag, ademhaling of spieren? Welk gevoel hoort daarbij?
Door hier aandacht voor te hebben, leren kinderen steeds beter hun binnenwereld te begrijpen. “Mijn buik voelt gespannen en ik bal mijn handen. Misschien ben ik boos.” Zo ontstaat ook ruimte om gevoelens te benoemen: “Ik ben verdrietig.”, “Ik vind dit spannend.”, “Ik ben heel blij.”
Emoties hoeven niet weg
Emotieregulatie betekent niet dat een kind leert om zo min mogelijk emoties te hebben. Alle emoties horen bij het leven. Ook boosheid, verdriet, angst en teleurstelling hebben een functie. Het gaat erom dat een kind leert: dit gevoel is er, ik kan het voelen en het gaat ook weer voorbij.
Wanneer een emotie heel groot wordt, is rustig nadenken of luisteren voor een kind vaak moeilijk. Op zo’n moment helpt het meestal niet om uit te leggen waarom het allemaal wel meevalt. Eerst heeft het kind geruststelling nodig, is er behoefte aan veiligheid, nabijheid en rust.
Een kind leert zichzelf reguleren met hulp van een ander
Jonge kinderen kunnen hun emoties nog niet volledig zelfstandig reguleren. Ze hebben daarvoor de hulp van hun omgeving nodig. Een ouder die dichtbij blijft, rustig praat, helpt om woorden te geven aan wat er gebeurt en samen zoekt naar wat het kind nodig heeft. Dit noemen we co-regulatie.
De ouder neemt de boosheid niet weg, maar helpt het kind om de emotie te verdragen en weer tot rust te komen. Door dit steeds opnieuw te ervaren, leert een kind uiteindelijk steeds beter zichzelf te reguleren.
Zelfregulatie
Co-regulatie vraagt iets van ouders. Het is gemakkelijker om rustig en beschikbaar te blijven wanneer je zelf voldoende rust en ruimte hebt. Wanneer je moe bent, overprikkeld of gestrest, kan de zoveelste boze bui van je kind ineens veel moeilijker te verdragen zijn.
Dat betekent niet dat je als ouder altijd rustig moet blijven. Ook ouders hebben emoties en kunnen hun geduld verliezen. Het is juist waardevol wanneer je daarna kunt herstellen en weer verbinding kunt maken: “Ik werd net heel boos en had even tijd nodig om rustig te worden. Nu ben ik weer bij je.”
Daarom is het belangrijk dat er ook voldoende ruimte is voor ouders zelf. Rust en herstel helpen je om beschikbaar te zijn voor je kind.
In de praktijk
In de praktijk werken we met kinderen en ouders rondom emoties en emotieregulatie. We kijken naar het herkennen van gevoelens en lichamelijke signalen, het leren benoemen van emoties en wat helpt om spanning te reguleren. Ook kijken we naar co-regulatie: wat heeft een kind nodig van zijn omgeving en wat heeft een ouder zelf nodig om hierin beschikbaar te kunnen zijn? Een kind mag leren dat zijn of haar gevoelens er mogen zijn en begrepen worden. En kind en ouder mag ervaren dat ze het niet alleen hoeven te doen.
